Roetersstraat
Roetersstraat 2
Mijn overgrootouders Levie Beugeltas (1870) en Margaretha Rine (1875) trouwen in augustus 1896. Hun geschiedenis begint in de Nieuwe Kerkstraat, waar Levie in juni 1896 samen met zijn moeder, Rebekka van Beek (1829–1907), schuin tegenover de familie Rine komt wonen. Margaretha – zij wordt in sommige documenten ook wel Marga genoemd – heeft op dat moment een dochter van twee jaar oud, Esther Rine. Bij het huwelijk wordt zij erkend door Levie en krijgt zij ook de achternaam Beugeltas. Levie en Margaretha zullen samen nog drie dochters en zes zoons krijgen: Isaäc (1897), Schoontje (1898), Elias (1900), Meijer (1902), Rebecca (1907), Maurits (1908) en Joseph (1914) . Twee kinderen sterven jong: Arnold Beugeltas (1904–1908) en Judith Beugeltas (1911-1913).
Armoede
Levie is diamantslijper en roosjesversteller van beroep, maar door een slecht gezichtsvermogen kan hij dat werk eigenlijk niet meer uitvoeren. Ook is er lang niet altijd voldoende handel in de diamantindustrie, en omdat Levie geen lid is van de ANDB – de vakbond van diamantbewerkers – heeft hij geen recht op steun in de periodes dat er minder vraag naar arbeidskracht is. Levie probeert de kost als kruier op de groentemarkt en als loopjongen bij elkaar te sprokkelen. Rond 1900 werkt hij met regelmaat voor de firma Zurel, een zuurhandel van Levie Wins op de Nieuwe Kerkstraat 92. Het gezin Beugeltas woont enige jaren op de derde verdieping boven het winkelpand. Volgens eigen zeggen betaalt Wins hem slecht en het lukt het gezin niet om uit de armoede te ontsnappen: over de periode 1902–1942 wordt er regelmatig beroep gedaan op steun van de gemeente, die voornamelijk als ‘winterbedeling’ wordt uitgekeerd in de vorm van enkele broden en turf. Het steundossier bevat waardevolle informatie van de inspecteurs over de omstandigheden waarin het gezin doorheen de jaren verkeert, en geeft een beeld hoe overige familieleden er financieel voor staan, en of die eventueel bij kunnen springen.
Op de aanvragen volgen huisbezoeken van de sociale dienst waarvan verslag wordt gedaan in het steundossier. De omgeving wordt als armoedig beschreven, maar niet wanordelijk. Alle kinderen krijgen hun vaccins en doorlopen de lagere school. Op een bepaald moment hebben zij hun huisraad moeten verkopen om rond te kunnen komen. Tussen de bevallingen door probeert Margaretha ook als werkster bij verschillende adressen in de buurt wat bij te verdienen, en vaak helpen haar ouders het gezin door iets in natura te schenken. Margaretha’s vader, Elias Mozes Rine (1845-1930), is een kleine, zelfstandige poelier, met een winkel in de Nieuwe Kerkstraat. Ook Mozes Rine (1877-1940) , een jongere broer van Margaretha, is poelier en heeft een zaak op de Jodenbreestraat nr. 17. Levie en Margaretha helpen in de wintermaanden regelmatig in zijn winkel als de verkoop op zijn best is en kunnen op die manier iets bijverdienen. Esther groeit op bij haar grootouders, wat ook weer een mond extra te voeden scheelt in het gezin Beugeltas.
Op haar veertiende is Esther niet meer leerplichtig, en helpt zij haar zwangere moeder in het huishouden. Al snel zal zij uit werken gaan bij familieleden en komt zo ook een tijdje in Londen en in Borgerhout terecht alvorens zij zelf gaat trouwen en een gezin sticht. Een voor een bereiken de kinderen een leeftijd waarop ze iets kunnen gaan verdienen. Dochter Schoontje gaat het vak van lingerie-naaien leren bij mevrouw Appelboom in de Foeliestraat, maar zal een tijdje later voornamelijk verdienen als dagbode bij verschillende gezinnen. Zoon Isaac treedt als leerling diamantslijper aanvankelijk in de voetsporen van zijn vader, maar omdat er niet veel te verdienen valt, wordt hij door de sociale dienst naar een arbeidsbeurs gestuurd waar hij gerekruteerd wordt door het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger.
Door de onregelmatige inkomsten is de familie bovendien aangewezen op de huur van slechte woningen in de oude jodenbuurt en wordt er regelmatig verhuisd als de huurachterstand te groot is geworden of de huizen dermate vervallen zijn dat ze gesloopt moeten worden. De woonomstandigheden zijn zo ongezond dat het hele gezin in 1909 getroffen wordt door tuberculose, in die tijd ook wel de witte pest genoemd. Het hele gezin vertrekt naar Hilversum om er te kuren in een sanatorium. Vanaf 1910 strijkt de familie neer in de Rapenburgerstraat en blijft er in wisselende samenstelling wonen tot 1935.
Margaretha lijdt sinds 1908 aan toevallen, en is hiervoor onder medische behandeling. Waardoor de toevallen worden veroorzaakt is niet bekend, maar wellicht speelt dit een rol bij het vroegtijdige overlijden van Margaretha in juni 1916, zij is dan slechts veertig jaar oud. Het is een zware dobber voor de familie. De oudste nog thuiswonende dochter Schoontje neemt de taken van haar moeder over, maar uiteindelijk moeten twee kinderen uit huis worden geplaatst: mijn oma Rebecca wordt op negenjarige leeftijd kosteloos opgenomen in het Centraal Israëlitisch Weeshuis in Utrecht en haar jongste broer, Joseph, wordt opgenomen in het tehuis van de Berg-stichting in Laren. Kosteloos betekende: uit liefdadigheid, en hield voor meisjes meestal in dat zij in de huishouding van het weeshuis aan het werk werden gezet en in de verzorging van de jongste kinderen. Bij haar ontslag uit het weeshuis op 19-jarige leeftijd had mijn oma een spaarrekening met een bescheiden bedrag dat zij tijdens haar verpleegperiode had verdiend, maar dat werd uitbetaald aan haar vader. Bij terugkeer in de Rapenburgerstraat ging zij als dienstbode en kindermeisje werken bij verschillende adressen. Voor jongens waren er allerlei mogelijkheden tot scholing. Joseph kreeg nog een aanvullende opleiding na zijn lagere school. Hij ging een tijdje het vak van kleermaker leren, maar werd uiteindelijk tot verpleegkundige opgeleid in het Apeldoornse Bos en het Nederlands-Israëlitisch Ziekenhuis in Amsterdam.
Anti-joodse maatregelen
In 1935 verhuist Levie mee met Schoontje en haar man Philip naar het Waterlooplein. Philip is chauffeur van beroep, maar in de crisisjaren komt hij slechts moeilijk aan de bak. Als opzichter/nachtwaker van het wagenpark bij Artis heeft hij een tijdje een vast inkomen. Het gezin moet vaak beroep doen op steun, en omdat Levie bij hen inwoont wordt ook hij in het steunbedrag berekend. Op een gegeven moment kunnen zij niet meer rondkomen en besluit Levie een kamer te huren in de Nieuwe Kerkstraat. Al snel blijkt dat hij de huur niet kan opbrengen waardoor hij opnieuw bij de gemeente moet aankloppen. Hij geeft aan dat hij graag verpleegd wil worden in het Israëlitische Oude Mannenhuis, maar op dat moment is er in geen enkele joodse instantie plek beschikbaar. In januari 1938 neemt hij zijn intrek in het Gemeentelijk Verzorgingshuis voor Ouden van Dagen, het voormalige armenhuis aan de Roetersstraat (nu: Dr. Sarphatihuis). Het tehuis richtte zich eigenlijk niet op joodse Amsterdammers, die hadden immers hun eigen instanties, maar regelde voor de groeiende groep joodse bewoners toch koosjere maaltijden en er werd een gebedsruimte gecreëerd.
Door de anti-joodse maatregelen tijdens de bezetting moesten alle joodse bewoners onderdak zoeken in joodse instellingen en op 31 december 1941 nam Levie, samen met 18 andere joodse ouden van dagen, zijn intrek in het pension van Hijman Kool op Rapenburg 98. Kool ontving voor iedere bewoner een bedrag van de sociale dienst, waarvan hij 50 cent per week als zakgeld uitkeerde.
Een laatste rapport van de sociale dienst ging over de steunaanvraag van een paar nieuwe schoenen op 31 augustus 1942. Levie had waarschijnlijk zijn oproep ontvangen en was bezig zijn bagage samen te stellen. Er werd een reparatie van zijn versleten schoenen ter waarde van 3 gulden toegekend, maar of de schoenen nog op tijd opgelapt konden worden lijkt onwaarschijnlijk want op vrijdagavond 4 september werd Levie opgepakt en naar Westerbork gebracht. Twee dagen later werd hij op transport gesteld naar Auschwitz waar hij bij aankomst op 10 september werd vermoord. Levie is 71 jaar oud geworden.
Op initiatief van een voormalig werknemer van Amsta, de zorginstelling die het Dr. Sarphatihuis beheert, zijn alle 41 joodse bewoners in kaart gebracht, is er informatie verzameld en zijn eventuele nabestaanden opgespoord. Op vrijdag 17 oktober 2025 zijn er 20 Stolpersteine voor de eerste groep joodse bewoners van het tehuis geplaatst. In de lente van 2026 volgt de rest.



slechts dit signalement. (bron: Stadsarchief Amsterdam)

de gegevens van Levie en Margaretha bijgeschreven.


niet langer ORT. kennisgeving NIW.



Over het dr. Sarphatihuis verscheen in april 2025 een 7-delige podcast. Aflevering 5 gaat over de joodse bewoners tijdens de bezetting. De hele serie is terug te luisteren op o.a. Spotify.


Verhuizing bejaarden uit de Roeterstraat naar nieuwbouw ‘Flevohuis’ bij de Schellingwouderbrug in december 1971. (bron: Polygoonjournaal uit het Open Beelden project van Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid)